Tussen wad & zee
De teksten werden geschreven nadat we als muziekgroep het project ‘De Wadden(eilanden)’ hadden gekozen. Het leidde uiteindelijk tot vijftien nummers, waarvan dertien met een tekst. Twee gaan over de Noordzee, twee over een bewoond eiland (Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog) en één over het onbewoonde Rottumerplaat. De instrumentale nummers ‘wad komt’ en ‘wad gaat’ geven een muzikale impressie van (eb en vloed op) de Waddenzee.
Elke overeenkomst met bestaande personen of situaties in de teksten berust op toeval. Zo is er waarschijnlijk nooit een dronken loods in Oudeschild op Texel geweest, evenmin als een taxichauffeur op Terschelling die ‘Ate’ heette. Ook met de tijd is soms een loopje genomen: in de Middeleeuwen bouwden monniken een klooster op Schiermonnikoog - de walviskaak werd pas in de twintigste eeuw geplaatst.
Tenslotte: alle teksten zijn in de vorm van een sonnet geschreven.
Tussen wad & zee is te beluisteren op Spotify en Youtube. Zie hieronder voor de teksten, tekeningen en foto’s van de 15 nummers.
01. ...WAD KOMT... (instrumentaal)
02. WALVISBOOG
Een abt zag op een zondag in het dorp Schiermonnikoog
Een heel idyllisch plekje bij de walvisboog.
Hij sprak: ‘Ja, dit is mooi! Da’s net wat voor mijn kerels:
Het strand, de hemelse rust: nee, echt niks is hier werelds.’
Zijn monniken zwoegden van de metten tot de noen;
En altijd met de hand, want zo deed men dat toen.
Ze stapelden stenen, maar zonder te heien.
De abt riep na de vespers: ‘En nu uit met die pijen!’
De zomerzon maakte hun werkpijen schier.
Maar het klooster kwam af, met soms gescheld en getier.
De abt zei: ‘Niet vloeken – wij zijn geen vandalen!
En aanstonds het strand op – zonder pij of sandalen!’
Nu zitten bij de walvisboog regelmatig toeristen –
Die vredig genieten van stoere trappisten.
03. ATE & DATE
De taxi van Ate, uit West,
Die liep als een trein op Terschelling.
Zijn liefde liep echter niet best:
Zijn dates waren doorgaans een kwelling.
Hij datete meestal op de wal
Met lieden uit Zeeland of Drenthe.
Maar vaak na een uur wist hij al:
Ik heb niks met Salland … Of Twente …
Maar toen hij een vrachtje naar Hee reed
Dat hees en bedeesd met hem praatte,
Dat koetjes en kalfjes vermeed,
Toen sloeg de vonk over bij Ate.
En Ate die nooit iets met dates deed,
Die Ate die date nu met Date.
Dus toen hij die Date naar Hee reed,
Die jutte en deed aan karate,
Die stoer voor de Waddenzee streed,
Toen sloeg de vonk over bij Ate.
En Ate die nooit iets met dates deed,
Die Ate die date nu met Date.
04. ONDER DE ZODEN
Dit is moeras, maar niemand weet het.
Een fuut zinkt futloos in een sloot,
Naar Lauwersoog vaart traag de boot.
Een koe kauwt peinzend en vergeet het.
Een muskusrat grijnst vals en smalend:
De walkant brokkelt stadig af.
Een wilg staart treurend in zijn graf;
Zijn takken dood, zijn kruin is kalend.
De Kobbeduinen op hun best:
Dit land lijkt voor de mens verboden;
Een boer loopt door het eendenkroos.
Dan: stom, verbaasd, en machteloos
Zakt traag de boer onder de zoden …
Zijn pet is alles wat er rest.
05. LIEFDEWAARD
Die zomer toen, op Stortemelk, op Vlieland in de duinen,
Was mieters. Met veel zon en pootjebaden in de zee;
En later op de dag patat en door de Dorpsstraat struinen.
Hij nam de bolderkar en zij een fles Exota mee.
Vakantie op een eiland: nou, daar zou geen eind aan komen.
De veerboot naar de vaste wal ging niet voor hem of haar.
Zij, hand in hand, dag in, dag uit, door duinen van hun dromen.
Ze zagen geen toerist of zee – ze zagen slechts elkaar.
Maar ach, hun prille liefde was helaas gedoemd te falen.
Zo stug als helm, haar pa en ma:
Die bogen echt niet mee.
Zij hadden een De Waard en dat was uiteraard wel balen:
Want hij zat met zijn oma
In zo’n tent van V en D.
06. NACHT & ONTIJ
De zon strooit zilver op het water
En schittert gratis over ’t Wad.
De aarde draait de klok naar later;
Een zeehond neemt zijn laatste bad.
De strandlopers en de plevieren
Hard rennend langs de waterkant.
Een zilvermeeuw trekt nog wat pieren;
Een schaap staart kauwend op het land.
Het water stijgt – het water daalt weer;
Verfrist het wad – zo is het goed.
Een golfslag brengt – een vogel haalt weer:
Bij nacht en ontij – bij eb en vloed.
De zon verlicht het wel en wee.
Bij Ballum aan de Waddenzee.
07- SCHUIM & ASCH
De wind blaast het schuim van de zee naar het eiland,
Een giftige smurrie van olie en vet;
Het glanst op het zand, het bedekt heel het weiland,
Door stormen zijn huizen en schuren geplet;
De duinen zijn weg, onder plastic bedolven;
Aan niets kun je zien wat hier vroeger ooit was;
Bloedrood is de hemel en paars zijn de golven;
De steegjes ruïnes van gruis, puin en as;
De toren staat scheef, het metaal is verbogen;
Aan niets kun je zien wie hier ooit heeft geboord;
Ze zeiden ‘voor welvaart’, maar dat was gelogen:
In de welvaart der volkeren is alles vermoord.
Geen meeuw en geen mens en ook geen zandkastelen.
Geen hond op het strand – en geen kind zie je spelen.
Geen dier maakt meer geluid – en geen mens zal iets horen:
En hard rukt de wind aan de gammele toren.
08. WOLKERS & BOMANS
Met potlood en blocnote op Rottumerplaat:
Bomans met stropdas en Jan met zijn borstkas.
Jan, de natuurmens: gehard en kordaat –
Maar Godfried dacht steeds aan zijn stad en zijn straat.
Jan Wolkers stond hoog op een duin, ontkleed,
Barbaar zonder vrees, een duinroos van vlees.
De wind een horrible tango die hem niets deed:
Een walgvogel beet in zijn blote ...
Heer Bomans, ontheemd, met enige gêne,
Geen vouw in de broek en geen insectenboek.
Hij verlangde met smart naar het mondaine –
En naar dat ene been van Marlène.
De wind huilt, een meeuw lacht, geen mens die hier praat:
Met potlood en blocnote op Rottumerplaat.
09. ALLE HENS
Bij Oudeschild is ’t vastgelopen:
De uitkijk, blind in ’t kraaiennest.
De bootsman zei nog: ‘Zuid-zuid-west!’
Maar de loods was weer eens straalbezopen.
De nacht: geen steek, geen hand voor ogen;
Een schip dat op een zandbank voer.
De mast brak af – en toen het roer.
De loods heeft alle hens bedrogen.
En op de wal, dit nachtelijk uur
Staan vrouwen, huilend, overstuur:
Geen broer, geen man – geen zoon kwam thuis.
De ketelbink, de kapitein,
De zwarte rat, de chirurgijn:
Het schip verging – met man en muis …
10. VROEG UIT DE VEREN
Wat rest, rust roerloos in het gras;
Een hoopje veren en een klauwtje.
Een raadsel wat het levend was:
Een spreeuw? Een merel? Of een kauwtje?
De dader zweeft hoog in het rond
Om als een bliksem neer te duiken.
Zijn ogen priemen naar de grond;
Zijn schaduwvingers strelen struiken.
Het is de heerser van Het Oerd,
Die van heel hoog op kuikens loert;
Hij bidt, maar zal het kwaad niet keren.
Het is de bruine kiekendief;
Die helpt de vogels net zo lief
De dood in, als vroeg uit de veren.
11. HUILER & JAGER
De jager jaagt langs het strand:
Gierende, brullende boosheid.
De huiler huilt in hulpeloosheid,
Gestrand tussen zee en land.
De branding riep: ‘Hier is het mooi!’
De huiler dreef weg in het water.
Nu is het koud en veel later.
De jager loert op zijn prooi.
Daar tussen zee en land is het niet pluis.
De huiler ziet de Vliehors alsmaar vager:
Die zandbank met zijn moeder was zijn thuis:
Daar dreef hij, maar de vloedlijn was toen lager.
Nu schuilt hij bij het drenkelingenhuis;
En wacht daar op het brullen van de jager.
12. EEUWEN LATER
Sujetten die leugens en roddels rond sisten:
Van een meid en haar eer,
Laag verleid door een heer,
In het bos bij het meer van Dodemanskisten.
Zeebonken die sterke verhalen opdisten,
Met stiekem gefluister:
Want wie weet, wat huist er
In het bos en het duister rond Dodemanskisten?
Gelokt in een hinderlaag van lage listen
Zonk men zielloos terneer
(Soms door vetes, oud zeer);
In het bos bij het meer van Dodemanskisten.
Zelfs de boeren, burgers en buitenlui twisten
Over groot, goed en geld,
Over dood, bloed, geweld:
Wie werd zinloos geveld bij Dodemanskisten?
Maar wat zij echter geen van allen wisten
Was dat eeuwen later
Reigers nog altijd bij het water visten;
Terwijl meeuwen hun prooien uit het water gristen,
Al die eeuwen later
In het bos bij Dodemanskisten.
13. ZEELEVEN
Uit giftige en paarsgekleurde soep
Lijkt eeuwig elke levensvorm verdwenen.
Oud plastic zweeft als kwallen in de zee;
Daaronder roesten allerlei metalen.
De smurrie van een nooit verteerde troep
Boert bellen als een gas van edelstenen.
Een wervelwind neemt as en zwavel mee;
De branding rijgt van piepschuim strengen kralen.
Toch komt er iets: een oog tuurt naar het strand;
Een kop draait traag, als zoekt het naar de lucht;
De branding baart voorzichtig een nieuw leven:
Een wezen kruipt onwennig op het zand;
Een rilling en een eerste ademzucht ...
De zee heeft leven weer een kans gegeven.
14. VOGELVRIJ
Hij staat te rusten op een paal,
Een vredig weiland bij De Waal.
Gekwaak, gekwetter en een schreeuw
(Dat laatste door een boze meeuw …).
En naast hem staat zijn mooie buur:
Hij fluit heel kort naar haar – vol vuur.
Zo, bruin met zwart, en wit met rood;
Heel fraai gebekt, op hoge poot.
Maar dan: wat komt daar nu voorbij?
Zijn zij niet langer vogelvrij?
Zijn buurvrouw kijkt verstoord en stuurs;
De rust was hemels: zoiets puurs!
De mens maakt vogels tureluurs …
Het grijze peloton keuvelt voorbij … in rij na rij … en zij aan zij …
15. … WAD GAAT … (Instrumentaal)
Alle liedteksten, tekeningen en foto’s © Syb Hartog (2026).
Maak jouw eigen website met JouwWeb